Voor een rechtvaardig Midden-Oosten beleid
Door Dries van Agt, Frans Andriessen, Laurens Jan Brinkhorst en Hans van den Broek
6 juni 2011
Veel retoriek kenmerkte de toespraak die de Israëlische premier Benjamin Netanyahu op 24 mei voor het Amerikaanse Congres hield. Netanyahu zei dat hij omwille van een “historische vrede” bereid zou zijn tot “pijnlijke compromissen” en dat Israël “zeer genereus” zal zijn wat betreft de afmetingen van een toekomstige Palestijnse staat. Het leverde hem 29 staande ovaties op.
Toch kon de imposante retoriek en het oorverdovende applaus niet verhullen dat Netanyahu een anti-vredesboodschap bracht. Die luidde: geen terugkeer naar de grenzen van 1967 (lees: Israël zal vitale delen van de Westoever annexeren); een oplossing voor het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk buiten de grenzen van Israël (lees: alle Palestijnse vluchtelingen moeten hun recht op terugkeer opgeven); Jeruzalem als verenigde hoofdstad van Israël (lees: geen Palestijnse hoofdstad in Oost-Jeruzalem); een volledig gedemilitariseerde Palestijnse staat en een blijvende militaire aanwezigheid van Israël op de Westoever (lees: de Palestijnen blijven onderworpen aan directe en vergaande Israëlische controle). Tot slot eiste Netanyahu van de Palestijnse president Abbas dat hij Israël als Joodse staat erkent - een klap in het gezicht van de Palestijnse vluchtelingen en de grote Palestijnse minderheid in Israël.
Netanyahu weet heel goed dat deze standpunten non-starters zijn die een hervatting van het vredesproces onmogelijk maken. Dat is gecalculeerd: Netanyahu wil helemaal niet onderhandelen, al beweert hij de hele dag dat het tegendeel het geval is. In wezen is hij nog steeds tegen een Palestijnse staat. Maar dat valt internationaal niet meer te verkopen. Dus maakt hij die staat feitelijk onmogelijk, door een serieus onderhandelingsproces te blokkeren, vooral door almaar door te gaan met het bouwen van nederzettingen.
Het moge duidelijk zijn dat het Israëlisch-Palestijnse conflict zo niet opgelost kan worden. Internationale druk op Israël is nodig, veel druk. Van Amerikaanse zijde zal die niet komen, maakte president Obama in twee recente Midden-Oosten toespraken duidelijk. Obama merkte op dat de internationale gemeenschap een “eindeloos proces dat nooit resultaat voortbrengt” zat is, maar zei ook dat vrede niet opgelegd kan worden. Hetgeen wil zeggen: Amerika zal Israël niet onder druk zetten.
Om die reden moet ook Obama’s verwijzing naar de grenzen van 1967 gerelativeerd worden. Het hoofdobstakel ‘nederzettingen’ werd in zijn toespraken slechts één keer aangestipt. Geen veroordeling van de nederzettingen kwam over de presidentiële lippen, zelfs geen oproep tot bevriezing ervan. Een fluwelen benadering waar Israël voor bedankte door – op de dag dat Obama speechte – 1500 nieuwe nederzettingenhuizen goed te keuren, opdat er van 1967 nog minder overblijft. Obama wil in 2012 herkozen worden en laat het allemaal gebeuren.
Gelukkig zijn er aanwijzingen dat Europa zich minder volgzaam wil gaan opstellen. In februari stemde de VN-Veiligheidsraad over een resolutie tegen het Israëlische nederzettingenbeleid. Amerika vetode de resolutie, maar de andere veertien Veiligheidsraadsleden stemden vóór, waaronder Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Een gênante demasqué van het diplomatiek falen en groeiende isolement van de VS.
Na de stemming brachten de drie landen een gezamenlijke verklaring uit waarin zij een onmiddellijke stopzetting eisten van alle nederzettingenactiviteit en de parameters presenteerden waarop een vredesregeling gebaseerd zou moeten zijn. Kort daarna zetten zij in op een verklaring van het Midden-Oosten Kwartet (VS, EU, Rusland, VN) waarin deze parameters omarmd zouden worden.
De VS neutraliseerden dit initiatief door twee opeenvolgende Kwartetbijeenkomsten af te blazen. Vervolgens probeerde Obama met zijn toespraken de regie weer in handen te krijgen. Maar het waren juist zijn toespraken die lieten zien dat van Amerika’s leiderschap niets te verwachten valt, in ieder geval niet tot na de presidentsverkiezingen van 2012. En dus ligt de bal bij Europa.
Twee grote kwesties spelen de komende maanden waarin Europa het verschil zal moeten maken. Ten eerste, de kwestie Palestijnse eenheid. Terwijl president Obama het Palestijnse akkoord van nationale verzoening een “enorm obstakel voor vrede” noemde, verklaarde de EU dat Palestijnse verzoening een voorwaarde is voor het realiseren van de twee-statenoplossing. Het is zeer belangrijk dat de EU deze constructieve lijn blijft volgen. Mocht de EU, net als de VS en Israël, het kwetsbare proces van Palestijnse verzoening ondermijnen, kán dat proces alleen maar mislukken, met desastreuze gevolgen van dien, ook voor Israël: een verdere radicalisering van Hamas en een verheviging van het geweld.
De tweede kwestie betreft de totstandkoming van een Palestijnse staat. De Palestijnen is in het vooruitzicht gesteld dat die staat er in 2011 zou komen, via onderhandelingen, die uiterlijk in september hadden moeten uitmonden in een akkoord. Dat de onderhandelingen niet hebben kunnen plaatsvinden komt voor rekening van premier Netanyahu: die koos in 2010 voor meer nederzettingen en dus tegen het vredesproces.
De Palestijnen staan nu met de rug tegen de muur. De instituties die een onafhankelijke Palestijnse staat nodig heeft zijn succesvol opgebouwd. Maar het Westen laat na om druk op Israël uit te oefenen die een doorbraak mogelijk zou maken. De laatste uitweg die de Palestijnen nog zien om hun onafhankelijkheid te verkrijgen is de VN.
Nu al erkennen 112 landen de staat Palestina bilateraal. In september hopen de Palestijnen dat dit aantal zal zijn gestegen tot boven de 130, zodat Palestina het VN-lidmaatschap kan verwerven. Echter, die weg loopt via de VN-Veiligheidsraad. En president Obama heeft reeds verklaard dat de VS ook dit initiatief zullen blokkeren.
Daarmee is de route naar een formeel VN-lidmaatschap van Palestina vooralsnog afgesneden, maar niet het lot van het Palestijnse onafhankelijkheidsstreven bezegeld. De opstelling van de Europese democratieën zal bepalen of dit streven aan kracht wint, of verzandt in weer een desillusie die, zo moet men vrezen, het einde inluidt van het pragmatische Palestijnse leiderschap onder aanvoering van president Abbas en premier Fayyad.
Ook de Nederlands regering staat nu voor een fundamentele keuze. Zij kan de Europese krachten bijvallen die een doorbraak willen, of zich achter de brede rug van Amerika blijven verschuilen. Het laatste komt neer op steun voor Netanyahu’s anti-vredesbeleid. Steun, die het langetermijnbelang van Israël juist schaadt, omdat dit beleid Israëls legitimiteit ondermijnt, Israël in een groeiend isolement drijft en de grootste bedreiging vormt voor Israëls veiligheid.
Dries van Agt was minister-president en is voorzitter van The Rights Forum. Frans Andriessen was vicevoorzitter van de Europese Commissie. Laurens Jan Brinkhorst was minister van Economische Zaken. Hans van den Broek was eurocommissaris voor Externe Betrekkingen.
Bovenstaand artikel is (in verkorte vorm en met een andere kop) op 6 juni 2011 in NRC Handelsblad gepubliceerd.
"We will be very generous on the size of a future Palestinian state"
Benjamin Netanyahu
Premier van Israƫl